Theunis Boersma

Theunis2

Theunis Boersma in de jaren ’20. Met dank aan Jan Boersma voor de foto.

Een van de Friezen die in Vianen gemobiliseerd was, was de timmermansknecht Theunis Jans Boersma uit Blija (1880-1973). In het Rijksarchief Tresoar bevindt zich het archief van de familie Boersma (Inventarisnummer 332-03) met daarin onder andere de brieven die Theunis tijdens zijn mobilisatie schreef naar het thuisfront. Hij vertelt veel over het soldatenleven in Vianen, en hij klaagt ook vaak, meestal over de officieren of over te weinig verlof. Boersma was vegetariër, drankbestrijder, tegen roken, en anti-militarist. Het is daarom niet verwonderlijk dat hij degene was die in 1915 de Friese troubadour Sjouke de Zee naar Vianen haalde voor een optreden. Sjouke de Zee was erg bekend onder de soldaten door zijn voorstellingen en liedjes over de mobilisatie. Daar zijn ook boekjes over uitgegeven. Net als Theunis was Sjouke de Zee een felle drankbestrijder die ook opkwam voor het arme arbeidersvolk.

Toen Theunis in 1917 naar Leeuwarden moest om zijn uitrusting te laten inspecteren weigerde hij verder de dienst en werd hij in voorarrest genomen. Hij moest uiteindelijk enige tijd vast zitten en onderhield toen een drukke correspondentie met gelijkgestemden. In Blija werd hij later bekend als “Omke (oom) Theunis”, die de Elfstedentoch zowel per fiets, als lopend als op schaatsen volbracht.

De broer van Theunis, Anne Boersma, was ook in Vianen gelegerd.

[informatie uit de Leeuwarder Courant van 11 februari 1981]

 

Hier volgen de brieven die Theunis tijdens zijn mobilisatie schreef:

 

7 Augustus 1914

 

Waarde Ouders en Fam.

 

Gisteravond hebben A. en ik de berichten ontvangen en vernomen dat ge allen waardig gezond zijt. Nu dat gaat met ons ook wel. A. heeft vrij van dienst, als hij wat moet lopen heeft hij enigszins last dat de milt hem wat steekt. Doch hij zit niet veel thuis dus dan is ’t ook niet zo slim. ’t Is wel aardig dat we zo dicht bij elkaar zijn. Ook dat we allen als dorpsgenoten bij elkaar verkeren. Maar ik ben nu niet bij Blijers ingekwartiert, deze zitten bij elkaar en kunnen ook daar ’t best af. Ik heb tot slaapgenoten J. Kalma (schoonzoon van K. v/d Mei) [Dit is Jetze Willems Kalma, in 1884 geboren te Akkrum en in 1959 overleden. Hij was getrouwd met Antje Kornelis van der Mey], Kees Straatsma [?] (de zwager van E. Folkertsma: Sj. Swart) en een korporaal G. de Vries van Beetgummermolen [waarschijnlijk is dit Gerben de Vries, in 1870 geboren te Menaldum en overleden in 1920. Hij was getrouwd met Maaike Posthuma]. Doch ik hoor zo dat ’t kan zijn dat wij hier ook weer van daan moeten. Ja ’t gehoorde was al waarheid, ’t eerste heb ik te Everdingen geschreven, doch thans zitten wij al 7 KMeter verder te Vianen. Dit is geloof ik geen verbetering. Wij zijn in een R.K. werkmansvergaderzaal (St. Jozef) ingekwartiert zoo’n 40 personen. ’t Slapen lijkt mij niet zoo slecht toe, doch de eterij is lang zo goed niet geregeld tenminste zo lijkt ’t me ons al toe. Mogelijk zal dit ook wel wat toevallen. Jong en gezond doet altijd al veel om smakelijk te eten. En al is dit wat minder och ’t rolt gauw wat. Maar wij zien of hebben gezien in de streek tussen Culemborg en Everdingen waar ook de vader en zonen zijn opgeroepen en waar nu al mensen worden genoodzaakt hunner woningen te verlaten, daar er gepraat werd dat ’t daar onder water gezet zal worden. Allicht zal dan de nood eerst wel wat slimmer moeten worden. Reeds zijn er al aan ’t slepen met hokken enz. wat zijn er hier ontzettent partij vruchtbomen gerooit, waar vele anders een mooie duit uit konden maken. Doch dat zijn dingen wat nog wel wat kon meevallen, maar de gesneuvelde broeders in andre landen is wat niemand kan vergoeden. ’t Is wel jammer in een wereld waar honderden jaren vrede is verkondigt. Hier bij zal ik ’t maar laten dan kan er morgen vroeg weg. Waar zit Jonge Jan van Brantgum, A. Vellinga, Kees Bijleveld, meester Sipma, enz. Als Yde Doms zondag komt feliciteer deze nog even voor mij.

 

Groetent Theunis, ook van A. hij zou naar Anjum schrijven.

 

Vianen, 31 Augustus 1914. Th. J. Boersma

 

Daar A. naar huis was had ik reeds een paar dagen in Blija niet van mij laten weten. De gezondheid is best en anders kon A. wel van ons wedervaren vertellen. Hij is van middag weer gearrifeert, wel wat laat, doch zij hebben er niet veel nog van gemaakt. Ik ben van daag op wacht geweest naar Culemborg. De brug word dag en nacht bewaakt, wat al een van onze belangrijkste posten heet. Nu is dit anders niet zo slim, maar de afstand is wat groot van onze inkwartiering 12 KM. En als ’t dan zoo warm is als gister avond ’t geval was moet ’t al een paar zweet druppels kosten. Maar wij, en ’t word nog al veel gedaan, hebben ons laten rijden op een vrachtwagen met veeren [?] voor 30 cent heen en terug. A. was van morgen met E.B. gespoort. Hij zou nu in betrekking en heeft ’t plan om ons as. Zondag eens op te zoeken. Ik denk zoo wat 4 ½ uur is zijn woonplaats van Vianen. Ik heb aangevraagd om in ’t laatst van de volgende week vrij. We moeten maar eens zien. Wij hebben portvrij schrijven ook van U aan ons ’t zelfde.


Vianen, 10 september 1914

Waarde Ouders,

Ik zou anders de felicitatie tot ’t verlof uitstellen daar A. U nu eens zou schrijven en ik eigenlijk de hoop had om Zaterdag nog thuis te kunnen zijn. Doch dit gaat over, ’t word Maandag avond uur of vijf misschien met ’t zes uur spoor, en zoo doende nog wat bij elkaar gekrabbelt. Moeder van harte gefeliciteert met Uw 75ste verjaardag en we wenschen er nog verscheidene en een flinke gezondheid er bij en dat we ze dan samen weer in U midden kunnen vieren. Ik denk wel dat de anderen U vandaag wel opzullen zoeken, maar dat de drie jongste jongens er alle drie afwezig zijn is geloof ik in de laatste jaren niet veel gebeurt. Maar zoo als de zaken nu staan is dit nu niet zoo’n groot bezwaar, allen nog maar best bij ’t spul wat almee een van ’t grootste geluk is. Ook vader en allen gelukgewenscht met deez’feestdag. Mooi, dat men in zoo’n samenzijn zich mag verheugen. Hier is deze week onze verdronken kameraad begraven, wat een indrukwekkende begravenis. De meesten der landweermannen hebben gevolgd, ik was wat te laat, wat door een beetje onnadenkendheid ’t geval is geweest. Ook van de fam. waren er niet zoo veel ’t was ook een reis van komsa heele maal van Schiermonnikoog. Een broer die bij de Grenadiers onderoficier is en een broer die in Schoongoven de een of andere betrekking heeft volgden, eerstgenoemde was heel onder de indruk en de laatste bedankte namens de familie. Voor de oude moeder, wie voor ’n veertien dagen haar man ter grave gebracht is, zijn ’t wel zware dagen. De maanden Augustus en September van ’t oorlogsjaar 1914 zullen de vrouw een knak gegeven hebben wat ’t verder leven haast niet geheelt kan worden. Als men de soldatenvolgers zoo zag, zou men niet zeggen, dat ze in de oorlog zoo vele om kunnen brengen, men zou zoo zeggen, wat voor vreselijks men tegenwoordig in de couranten leest, zulks zou in deze geleerde wereld niet meer gebeuren, maar ’t is helaas maar al te waar. De uitvindingen om medebroeders te vermorselen is haast geen denkbeeld van en hoe is er al jaren in stilte aan gewerkt. De wereld wil trotsch alle prediking gebroken worden. Wat hadden al deze rijken, die nu tegen elkaar optrekken voor dat geld en die duizenden, ja milioenen arbeiderskrachten niet veel gepresenteert hebben, bij armoede, ziekten, enz. Weg zijn die jongemannen, wat een pijnen moeten er worden uitgestaan, en wat blijft over als men van een landje leest als België, alles verwoest en verlaten en gebroken zenuwachtige wezens, en wat zal dat nog vermeerdert worden, men moet de oorden beklagen waar alles zoo om een luchtje gaat. Wij hebben tot dusver hier niet te klagen, om af te kunnen, ja tamelijk best maar als men indenkt wat dat alles moet kosten, en waar ’t toe moet dienen, nu dan wat gauwer naar huis wat beter, doch daar op moeten we noch wachten, wel heeft men ’t er soms over als er eens een paar lichtingen naar huis kunnen maar dit zal nog zoo’n vaart niet loopen. Misschien valt nog wat toe, ik heb steeds zoo wat gedacht van bijna drie maanden en morgen word ’t zes weken dus dan zitten we ongeveer op de helft. Maar afwachten. Hierbij zal ik ’t maar laten word bedtijd en kan eerstdaag wel meer vertellen. Nogmaals een gezellige avond gewenscht en de groeten aan allen. Je zoons A. en Th.

 

Culemborg, 10 oktober 1914, ’s avonds kwart over 12

 Waarde Vader

Dat ik dit berichtje zoo laat schrijf komt dat ik op wacht ben en ‘k heb van 9 tot 11 uur geschildert en ’t laatste half uur wat aanschouwt waar ik in de heele diensttijd niet aan gedacht heb, buiten deze laatste 2 maanden om n.l. een goede tweehondert vluchtelingen werden van ’t station afgehaalt. ’t Was jammerlijk om te aanschouwen. Over de hondert vrouwen met en zonder kleine kinderen meest allen blootshoofd en zoo ik kon zien heel verkleurd bruinachtig, zenuwachtig en in ’t eerst schuw, maar wat onder de geleide van ’t roode kruisleden wat verbeterde. Ook wel een hondert man grote mannen en jongens deze worden hier ingekwartiert. Ik geloof dat ook deze avond al 5 treinen met gevluchten en vreemde soldaten voorbij zijn gespoort naar Utrecht en verderop misschien Friesland. Met ons gaat ’t nog goed. Groetent je zoons A. en Th.

 

30 Okt 1914

 Waarde Fam.

 Daar ik maar maar weer eens eenige letteren naar B. moet berichten, dacht ik laat ’t mij aan U eens doen. Want al zijn we al weder zoo’n vierdehalfjaar in ’t blauwe pakje toch blijft ’t ouderlijk dorpje ons nabij. Wel is de afstand misschien ruim ’n dertig uur van de Blijer toren af, de gedachten zijn der vaak omheen. Door deze feliciteer ik U allen met tante’s verjaardag, en hoop, dat ge er saam nog vele ingezondheid moogt vieren, want ook in deze tijden, blijkt ’t ook maar al te goed dat de gezondheid al wel een van de grootste voorrechten is. Als we hier berichten van huis ontvangen is dit een voorrecht. Zoo wel voor de arme als de rijke. Wel heb ik van huis vernomen dat omke’s maag ’t weder een beetje wou weten, en dat dokter ten Uwe geweest is, doch daar de laatste berichten dit aangaande niet minder waren, denk ik dat dit met eenige medicijnen en zalf, een beetje zich te meien, wel spoedig wat opgeknapt zal zijn. Zoo ook met de overige familie waar niet van bericht is, denk ik: geen bericht goed bericht, doch ’t is alzoo we zien wel dikwijls naar ’n briefje uit. Dus? Nu wat onze gezond betreft, dit is deze drie maanden ook uitstekent geweest. Als der eens een Uwer ons aan ons middag potje zag behoeft er niet gevraagt worden, dan word er vaak nog al lekker wat op gepeuzelt, wel zijn er vanzelf altijd, die wat te klagen hebben, en heeft de geheele compagnie een dag of acht schorsing gehad aangaande ’t klagen over bitteren en ongare witte boontjes, ja zelfs die in Friesland op genoemde of bedoelde datum met verlof waren werden evengoed gestraft, doch over zoo iets, dat voor en na U wel vaker is verteld, zullen we nu maar zwijgen. Doch daar der nog al gauw eens voor mij wat vreemd eten is, roode kool, soms witte, soms al tweemaal per week aard appelen met uien asjee (dat de man, die niet gebraden sypels mocht [?], maar ’t gaat best, ’t laatst genoemde is voor 9/10 ’t uitgezochte, zoo doende ook van eenmaal, nu tweemaal en dan is ’t van wonder zoo dat ik daar feitelijk ook niets van zeg, wel moet ik zelf wel eens wat schiften. De soep kan eigenlijk niet tegen die in 1900 uit, doch over ’t algemeen is ’t beter: doch ook van onze koks zijn er die buiten andere scha, wat men over ’t algemeen van de mobilisatie heeft, nog treurige herinneringen zullen houden, er zitten n.l. een paar in voor arrest en ook een burger wie ze van verduisteringen van vleesch, kaas, enz. verdenken. Ze zijn bij ’t begin van de week in Tiel voor ’t stil verhoor geweest.Thans zijn ze in de weer om ons in te kwartieren bij de burgers. Hoe of dit af zal loopen, zal ons nog al benieuwen, ze hebben de burgers gevraagt met of zonder voeding. De uitkomst moet zijn geweest wel twee/derde met kost wat ook haast te denken is, dan krijgen ze 80 cent er dag en anders, voor ’n goed nacht verblijf met heet water voor ’t schoon maken van eetketels enz. voor 20 cent. Doch de hoogen willen eigenlijk voor de 20 cent, wat eigelijk wel weer wat vreemd lijkt want naar men hoort komt ’t dan haast even duur, doch van soldaterij heeft men vaak niet veel verstand. Daar zijn onder de landweermannen nog al verscheidene, die ’t zelf ook nog niet kunnen besluiten want ’t is hier in Vianen ook lang niet ’t zelfde waar je geherbergt word. ’t Is een onzindelijk stadje, zoo dat wij ’t ook best kunnen treffen, dat we wel eens bedsteden konden treffen, die lang niet, bij onze tegenwoordige slaapsteden, ja legging in de lange veeren konden komen. We liggen met ’n man of dertien op ’n ruime droge en tamelijk verlichte zolder en de lui zijn zindelijk en tot nu toe ook schikzaam, alhoewel ze nu maar 3 centen per man beurden en er vast schade van hebben. Doch we zullen afwachten. Er zijn hier ook miliciens, dezen zijn om beurten, dan de helft met voeding ingekwartiert, en de andere helft in een ledige oude school en een leegstaand burgerhuis. Deze week is hier ook een fafarecorps opgericht onder de soldaten, daar wordt wat uitgezocht, doch ze weten ook niet wat ze ons zullen laten doen. Hoofdzakelijk misschien van ’n paar uur heen en terug, verschillende richtingen uit. Doch er is over ’t algemeen niks geen ambitie voor zoo iets.

Korps1

Het fanfarecorps Hoop op Kort Bestaan. Foto gedeeld door mevr. Wieringa-Kooiman uit Hantum.

’n Ieder heeft wat te vertellen, maar ’t meest over ’t verlof, wat de meesten voor de eenige lichtstraal houden. Ik geloof niet dat er plaatsen zijn waar ook meer met ’t verlof werd omgeslingerd als bij ons, zoo dat ’t ook vaak word, dat velen ’t zin niet zoo best gesteld is. Wanneer of ’t met mij word kan ik nog niet zeggen, we zijn spoedigst Zaterdag over een week, maar ‘k zal dan eerst nog wel even schrijven. Door dat A. een beurt voor mij is geweest duurt ’t deze keer wel wat lang en zal ik wel weer eens in ’t mdidden van fam. En oudbekenden willen zijn. Doch voor A. was zoo’n binnenbeurtje nog wel een buitenkansje, maar of onze commedant ’t een tweede maal zal toestaan is nog niet vast. Ze hebben soms van die vreemde ideeën. We hebben hier ook in ’n stal geweest waar de koeien al opstonden, doch ’t is geen Friesland. ’t Is heel ongewoon en ook niet zoo netjes. Over ’t algemeen loopen ze hier langer in ’t land, wat met die boomgaarden ook kan. Ze hebben niet veel last van de wind en dan met dit mooie weer en er wat bietenbladeren er bij dan gaat ‘t. Doch hier bij zal ik ’t laten ’t papier is vol. Dat ge deze feestdag gezellig zult fieren is de wensch, van A. en Th. J. Boersma

 

Vianen, dinsdagavond 17.11.‘14

 De trein heeft ons al weder een hele afstand van ’t ouderlijk dorpje verwijdert. ’t Is gezelliger reizen dan Vrijdag wat ’t weer betreft, doch der zijn weinigen die met geweren van huis af gaan, Velen hebben ’t over dat ’t moest zijn 4 weken verlof en 4 dagen dienst. ’t Is dan ook meest soldatenpraat doch men schiet er niet veel mee op. ’t Is Bijna half twaalf en ook met A. is ’t nog best.

Groetent, je zoons A. en Th. J. Boersma.

 

Vianen, 26 December 1914

 Waarde Ouders!

 ’t Schrijven is een paar weken weer niet veel geworden. Dat we ’t hier te druk hebben kunnen we niet best zeggen. Want deez drie dagen is er voor de Landweer zoo wat geen dienst. ’s Morgens tot ongeveer half negen te bed, en dan dit en dat wat opgeknapt, om 12 uur middag appel en dan is men zoo wat zijn eigen baas, als men zich maar niet per spoor verwijdert. ’t Lijkt al vreemd dat er niet wat ruimer verlof aan ons word gegeven. ’t Is en blijft wat verlof betreft bij ons scharrelen, altijd van ons af. Verleden week is er weder een geheele ploeg overgeslagen. En aan wien de schuld? De hoogeren stelden ’t voor en degenen die met verlof moesten gingen er mee akoort, ze wilden liever de kerstweek met verlof. Ja, ’t is wel een mooie week (6 dagen), doch ik ga van ’t denkbeeld uit de genen wie de beurt toe kwam naar huis en dan viel er niet veel te klagen. We weten toch wel, dat ze allen voor eerst nog niet laten gaan. De geniesoldaten zijn naar ik hoor wel voor ¾ gedeelte met verlof, ook van de vesting gaan ze vaker. Nu niet dat ze alles zoo maar krijgen doch maar nemen; daar word vast lang zoo de hand niet aan gehouden. Ze hebben dit voor, ze wonen ook haast niet zoo ver af. Een van de twee, die ook in ons (kosthuis) zijn, is de eene die voorige week donderdags middag om 1 uur vertrokken en Zondags avond om twaalf uur terug en deze week Woensdag ’s middags ook weer tot Zondag avond. De ander wie zijn vrouw hier ook is , is die middags vertrokken, maandag word zijn permissie briefje voor vijf dagen verlof achter na gezonden, dus zulks is niet voor de poes. En daar tegen over mogen wij ’s avonds na de dienst niet eens meer vertrekken. Zoo dat er velen een hekel aan zulke hoogen krijgen, de laatste keer met ’t verlof moesten we ruim een uur op de autobus wachten, daar werden de overste en onze compagnies commandant verwenscht. Die twee moesten eens voor zoo’n tram, en dan door al die veertig-vijftig man goed met zwepen en stokken afgeranselt worden, ook zoo iets hoort men ook evengoed uit de monden van hen die gewoonlijk in ’t burger een heel woord wel voor de soldaterij kunnen bezwetsen. Nu als er op de wereld gestaakt moet worden, dan door de geweerdragers, kanonnemannen enz. maar van deze Kerstdagen af, O, wat zullen vele menschen in een andere stemming deze dagen gedenken als vorige jaren en hoevele zullen er eerst weer over verslapen moeten als de haat van de menschen over elkaar weer uitgewist zal zijn. Men zal wel zeggen, daar is deze tijd te ontwikkelt voor, maar als men daar op uit wil, dan moest deze oorlog niet gevoerd worden. Straks melde ik dat we geen drukte eigenlijk hadden, zoo doende is ’t van middag vertrokken naar Tricht denkelijk een nacht. Hij is met mooi weer een beetje vriezend vertrokken, doch ’t heeft hier van avond om 6 uur nogal wat gesneeuwt, zoo dat de wegen er wel minder op worden. De oude fiets word er ook minder aan toe. Ik kon na van daag niet naar de schaakwedstrijd te L. doch heb vandaag genoeg op ’t dambord gespeelt. Daar is een boer van bakker Cool over gekomen, een heertje van ongeveer ‘n 20 jaar, daar heb ik 7 spel dammen tegen verloren en drie verloren en dan met drukte. Ook was hier een liefhebber van schaken, doch dit kon ik winnen, dan was hij wat te haastig, doch ’n liefhebber, zoo dat we morgen wel weer aan de slag moeten. Ik zal ’t hier maar bij laten, ’t is weer zoo wat sluitings tijd, we zijn vlink gezond en ’t was voor ons ook plezierig te vernemen dat met moeder weer zoo zoetjes aan weer bij komt, en voor al maar niet te druk maken, dat zal wel passen voor oudjes van 75 jaar. Wanneer of ik met verlof kom weet ik niet zoo presies. A. zou graag de volgende zondag willen, en dan zullen we wel weer op ’n akkoordjes moeten. Groetent je zoons A. en Th. J. Boersma.

 

Vianen, 25 Jan. ‘15

 Geachte Familie,

 Door dezen laat ik weten dat we weder goed en wel op de plaats van bestemming aan zijn gekomen. De trein arriveerde om 10 uur in Utrecht, geen aansluiting op de eerste gelegenheid en moesten dan ruim een uur wachten, zoo dat we de weg maar gewandeld zijn, en klokslag 12 uur waren we de poort van Vianen binnen, een Dokkumer loopje. W. Terpstra, J. Postma, een van Holwerd en ik.

Groetent ook van A., Th. J. B.

 

Vianen, 17 januari 1915

 Waarde Ouders,

 ’t is Zondag avond en A. moest op wacht, wat, hoewel ’t weer op ’t heden wat opknapt, tegenwoordig niet zo heel aanlokkelijk is; nu is men gewoonlijk liever in de week op wacht dan Zondags daar er dan een dag vrij van dienst ’t gevolg er van is. Doch ik geloof, dat A. nu niet behoeft te spijten. Zelf meende hij eerst dat ’t Vrijdag avond zijn beurt was, doch dat is nu al een paar dagen later geworden, dus dan is de volgende beurt ook zoo veelste verder af. En ook de nacht van Vrijdag op Zaterdag is ’t hier slecht weer geweest. Zelf heb ik ’t niet gehoort, maar de bakker en die, welke ‘s nachts bakten, zeggen van veel regen en onweer. Ook de posten waar A. de wacht moet staan, zijn ook nog al extra koud, de eene in de stad is op ’n hoek bij ’t gemeentehuis, waar ’t veel twirwinderig is en de andere drie zijn aan de rivier, waar ’t ook koud is. Doch als ’t tijdens de twee uur, als wij er staan moeten, maar wat droog weer is, dan kan men wat heen en weer loopen, dit is lang zoo vervelend niet, en ook de kou is dan zoo hinderlijk niet, doch zoo als tegenwoordig met dit natte weer gebeurt ’t wel, dat de langste tijd in ’t schilderhuisje een schuilplaats moet gezocht worden. Wel kan een ieder begrijpen, dat de wacht op ’t heden hier mee van ’t minste is, doch als ’t alles onder de sneeuw zat was ’t vaak nog minder. Ook hebben we laatst hier ook een heele tijd geen wacht gehad, zoo dat we ook wat verwent zijn, waar er anders ook soldaten leggen, die ’t zeker wel twee of driemaal zoo veel wachten moeten kloppen als ons garnizoen hier. Zoo als mijn schrijven is, zou men denken dat ik ook van de partij was, doch tot dus ver ben ik zoo gelukkig geweest er vrij van te wezen. Altijd zijn we nog vrij van dienst, wat aan ’t timmeren, wat ten eersten al een boffertje is met dit vuile weer, bij de menschen hier is ’t steeds vies weer; zoo veel als in Friesland súterich. Nu om dan dag in dag uit een wandeling van een uur of zes heen en terug, dit is wel te begrijpen voor weinigen een plezier loopje, dan komen ze vuil en half nat thuis, dan moet ’t geweer weer afgedroogt en in ’t vet gezet worden. En dan is er zoo veel, dat men nu niet mee te maken heeft. Dus zoo veel heb ik U nu al laten weten, dat we overgeplaatst zouden worden, waar een beetje sprake van is geweest, dan zou ik ten eerste wel eens wat minder kunnen krijgen, ten minste dit stel ik mij zelf al voor. Maar dit is er weer bij gebleven, en we zullen maar hopen, dat als ze ons voorlopig maar niet naar huis laten gaan, waar nu ook niemand vooreerst meer oprekent, dat Vianen ons kantonnement nog maar wat blijft. Ook A. is van denken dat als we toch niet ingekwartiert worden, wij ’t niet gauw zoo goed konden treffen als in ’t tegenwoordige. Komt hij soms eens wat nat of koud thuis, de kleeren kunnen in de bakkerij gedroogt worden, zelf wat opknappen, door in ’t egale warmte, want ’s morgens 9 of ’s avonds negen als er niet een deur open staat hoeft men ’t niet warmer te verlangen. Doch ik heb zoo ’t een met ‘t ander al weder een heel relaas, hoe goed en kwaad wij ’t hebben, doch ’t eten wil met beiden nog al best zoo dat wat de gezondheid betreft, wij al een voorrecht bij U thuis hebben; naar ‘k hoor allemaal ’n doktersdrankje. Wij hopen dat ge spoedig weer opgeknapt zijt, dat ’t gestadig aan en als we eerstdaags weer wat helder weer krijgen, de lente tegemoet gaat, want voor mij is ’t hooren van u goede gezondheid, al een van de verbleidenste berichtjes. P. Miedema heb ik gehoord is te Leeuwarden, dit lijkt ook niet zoo rooskleurig, daar zijn al zoo veel die dit of dat ondervinden, doch dit is iets wat buiten ’t menschdom om gaat, waar in men moet berusten, doch de oorlog, waar de een den ander van kant maakt, is iets wat door geen woorden gezegd kan worden hoe onzinnig en beklagenswaardig ’t is. ’t Laatst van deze week is ’t onze beurt weer van verlof, wat dagen kan ik nog niet zeggen, doch ik denk Zaterdag-Donderdag misschien Anne maar we zullen dan nog wel ’n briefkaartje schrijven.

Groetent en beterschap gewenscht van zoons en broers A. en Th. J. Boersma.

 

Vianen, 31 jan. 1915

 Waarde Broeder,

 ’t Is hier van daag triestig weer, daar lag van morgen een beetje sneeuw, overdag viel er meer, doch op de grond is ’t dooierig, zoo dat ’t halverwege weg dooit en natte wegen geeft zoo dat ik niet veel de straat op ga anders als naar de keuken tweemaal naar ’t appel wat na nieuwjaars Zondags twee maal word gehouden. Doch afijn altijd alweer beter dan op wacht, dagelijks loopen wij bij ’t appel vrij dan word ’t gehouden een kwartier na de dienst of kwart over 4 net voor ’t eten halen dan is ’t wat dat betreft nog vlauwer bak, want de corveeërs waar zich noch eens iemand van kan smeeren zijn vrij. Nu dat ’t zoo met hamer en drevel is af gelopen, dit dacht ik wel, daar naar mijn denken de post om halftien in Leeuwarden zou zijn is er avonds geen aansluiting. Anne die meende dat deze anders nog over Veenwouden te Dokkum arriveerde, ja, dan zou ’t Woensdag morgen in Blija geweest zijn. Doch ’t is ook geen bezwaar dat ik tot ’n volgende keer ’t meeneem ook wat de stukjes hout betreft. Ik heb voor anderhalve week de winkel al lenig daar Vonk gister met zaken verlof is gegaan. Als ge deze regels ontvangt is Anne misschien al thuis geweest, die heeft ’t verlof ook maar spoedig genomen. Nu wat de bakkers aangaat weet ik niet, maar ‘k hoor dat de boeren dit verlof niet meer word toegestaan. Dezen zullen denkelijk met de tijd wel wat krijgen, doch dit hebben ze nu vooreerst altijd, daar de bakkers met St. Nicolaas zijn geweest zitten ze in ’t zelfde schuitje. Vonk zijn beurt voor ’t gewoon verlof was Zaterdag, nu mag deze de acht dagen bij nemen, maar iemand die eerst met 8 dagen gaat en dan aan de beurt voor ’t gewone verlof is word een dag minder gegeven, ook weer ’n militaire uitvinding. Ik zal denkelijk niet in de termen vallen, of om er iets op uit te vinden dat A. ze voor mij kan bekomen. Onze compagnie leent zich volstrekt niet voor ’n extra verlof. Doch ’t gaat doorgaans al, de een valt dit te beurt, de ander dat, zodat ik deez keer niet te veel zal klagen. Dat ’t thuis wat vooruitgaande is, is voor ons plezierig. Dat ’t weer daar ook nog ‘t zijne bij moet doen geloof ik wel. Doch wat Uwe zenuwachtigheid betreft geloof ik dat ge daar over eens tot ’n specialiteit moest wenden. Leeuwarden is met ’t spoor een kleinigheid en ’t blijft altijd zoo twee weten meer als een, zoodat als D’Geel niet of wel op de hoogte is, dan had men zich niet te beklagen. Dat ik dit wel eens vaker tot je gezegd heb dat mij dat beter toelijkt geloof ik dat meerderen in de fam. van dat denkbeeld zijn. Zoo dat wat gauwer wat liever. Ik heb Ruurd laten weten dat ik denkelijk over veertien dagen weer thuis kan zijn. Ik zal hem altijd noch even berichten, daar ik niet zeker weet Zaterdags of Maandags. Nu ik zal ’t hier bij laten dadelijk noch een keertje naar Anjum, zoodat ik op een dag drie broers schrijf, ook al zelden gebeurt. Voor A. is ’t altijd noch wel een verblijdend berichtje, n.l. dat ze de maand Februari voorlopig vrij van wacht zijn. Zelf ben ik nog steeds gezond, van middag weer eens lekker bij de bakker en die aan de disch gegeten. Daarbij denkende dat ge thuis allen ook zoo smakelijk kunne eten, dat dan aller gezondheid wel vlugger zou gaan.

Groetent je broer Th. J. B.

 

Vianen, 15 maart 1915

Waarde fam.

De dagarbeid is weer verricht, ten minste voor de meesten, maar voor A. is ’t begin, doch zoo in de week is tusschen ’t begin en eindigen van zijn werk ongeveer vier uur, dus wel ’n korte arbeidsdag. Wel is de zondag voor hem drukker, doch ook dan is ’t voor hem geen moeizame dag. Eenigzins gebonden, doch ’s middags nog wel een paar uren er tusschen uit. Vandaag is hij een loopje naar Utrecht geweest. Bij Teatske broer is de huishouding vermeerdert, en daar we de oude fiets hier hebben, is zoo iets wel mooi ongeveer zo’n Dokkumerloopje. En ’t mooie weer van de afgelopen dagen doet er ook nog wat toe, want verleden week was ’t hem te koud en winderig. Al lijkt dit alles nu goed en wel, toch is er een plaats waar hij liever zijn arbeid verricht. Hij heeft vanavond op ’t burouw geweest, met ’t verzoek om 14 dagen landbouw-verlof. Hoe of dit nog zal afloopen moeten we nog afwachten, de sergeant-majoor lachte al, doch ze zullen er wel wat werk van maken. Zoo dat als dit losloopt, kunt ge licht begrijpen dat er weinigen geen gebruik van zullen maken, en ik ook van plan ben om 8 dagen er tusschen uit te zien komen. Uit ’t eerste blijkt ook al weer dat er hier nog niet aan gedacht word om ons naar huis te zenden, soms is er nog eens deze of geene, die de verwachting heeft dat de jongere lichtingen vluchtjes worden afgericht, dat er van de landweer wat overcompleet zullen zijn, doch ik geloof niet dat dit zoo’n vaart zal loopen. Wel schiet de tijd op, de dagen lengen knapjes, doch ik zal daar over maar niet verder uitweiden, als ’t voor de langste dag zal zijn beslist is niet veel kans meer op, en eerder laten ze toch ook geen naar huis. Als de tijd wat verder heen komt moeten we ook weer naar de boerestallen word er gezegt. Hier zijn ze wat vroeger dan bij ons om de koeien uit te laten, maar ’t zal altijd wel in ’t laatst van April worden. ’t Is voor ons zeker geen verbetering, maar zullen er voorloopig niet over inzitten. Nu heb ik ruim drie bladzijden en de reden van ’t schrijven was R. verjaardag wat nu haast nog vergeten zou worden. Ook namens A. wensch ik je van harte geluk met je verjaardag, we willen hopen dat er nog verscheidene in gezondheid bij komen, dat de komende jaren in vreugdevolle stemming zullen zijn dan deze laatsten, wat voor allen plezieriger is. Als ik nog vrij vraag, wat zal ’t beste zijn als ik ’t kan krijgen, dan dacht ik van de 12 April, dan was ik ook met Vaders verjaardag thuis. Hoe of ’t presies komt weet ik ook niet we zullen ’t toch niet allen toegelijk krijgen, door de meesten misschien wat vroeger met ’t oog op aardappel schiften doch dat is thuis gebeurt, als ’t kan zal ik T.Z. maar wat helpen. We zijn nog flink gezond. Groetent aan allen. A. en Th. J. Boersma.

 

29 juni 1915

Waarde Fam.

 Zoo als ik een vorige keer gemeld heb zou ‘k maar afwachten met ’t verlof, nu hebben ze morgen allen hier een feest gehad na ’t hooibouw verlof, behalve nog een en ik, dus Donderdag maar nu niet ’s middags, ik denk ’s middags met de halftientrein. ’t Is dan ook alweer een hele poos, ruim zeven weken, dat ik de vorige keer ben gegaan. Maar steeds nog vlink gezond, ‘k zal het hier nu maar bij laten.

 

Groetent, Th. J. Boersma, Vianen.

 

Everdingen 8-7-‘15

Waarde Ouders,

Dit is de derde dag van onze oefening. Meest alle morrende soldaten doch wat de dienst betreft zijn er die ’t wel driemaal zoo zwaar hebben doch ’t weer kan niet mooi genoemd worden, zoo doende is ’t vervelend. Dit kaartje schrijf ik bij Wietse zijn slaapgelegenheid doch ik heb hem nog niet gesproken wel vernomen dat hij goed bij de zaak is. Oude Dijkstra knapt wat op.

 

Schalkwijk 10 sept. 1915

Waarde Ouders en fam.

Weder is ons dagwerk weer afgelopen en nu eenig nieuws op papier geschreven doch eerst allen hartelijk gefeliciteerd met moeders verjaardag en zoen er nog vele gezondheid bij. Wat zijn we de plank mis geweest dat we ’t vorige jaar de denkbeelden hadden om niet langer dan ’n paar maanden onder deze onplezierige toestanden te vertoeven. En hoe langer hoe misselijker en dan nog eens te overdenken waarvoor dan zoo’n mirakel onding dienst voor moet doen. Doch ’t zijn hoofdzakelijk degenen dien’t nooit met eigen oogen aanschouwt hebben. ’t Is eenvoudigweg belachelijk hoe de soldaterij er door slingert. Doch de meerderheid wilt nu eenmaal en daar zal de minderheid voor eerst nog bij neerleggen moeten. Hoe lang nog? Als deze moordadige jaren weer achter de rug zijn zal ’t dan niet wat anders zijn. Doch de slachtoffers zijn gevallen en daar voor is ’t vissen achter ’t net.

Onze beter dagen, want dat is beslist. We hadden haast 50% voorrechten bij andre lotgenoten. Is ook afgelopen. Wel nog beter dan de compagnie. Doch morgen moeten we ook weer uit de keuken halen. Een nieuwe welke we voor eenige dagen hebben gebouwd, voor ‘n 600 man en een andre voor 3 à 400, zoo dat ge kunt nagaan wat ’n bende ’t hier is ongeveer 1000 man in ’t boeredorp. Deze nieuwlingen komen uit ’t kamp en blijven hier voor eenige tijd om dan verder naar de grensplaatsen te vertrekken. Ze liggen bij de boeren over de schuur en in stroozakken er zijn er waar in 80 omzwerven. Jongens van 20 tot 27 jaar welke nog al rumoeriger zijn dan de landweer. Wij blijven voorlopig nog bij dezelfde menschen, maar die krijgen nu 20 cent in plaats van 80 cent; zoo dat Vianen nu al weer beter zou wezen, doch ook daar is ’t niks gedaan, daar moeten ze allen in de barak en ook wat er in te blijven. Er zullen nieuwe gebouwd worden.

Ook ’t verlof is mis, zou ik anders maand agavond thuis kunnen zijn. Nu word ’t vast niet eerder dan dinsdag middag, en dan is ’t nog geluk, daar onze nieuwe commandant aan ongehuwde om de tien dagen geen vrij reizen geeft. Dan wordt ’t niet eerder dan de 24ste. We zullen maar weer afwachten. Deze vijf keer hebben we gehad. A. en ik zijn verleden week bij Kool geweest te feestvieren. A. zal u daarvan wel op de hoogte brengen. Ik moest ook namens hun gelukwenschen. Gisteravond heb ik er even geweest, als ik nu niet thuis kom, zal ik a.s. Vrijdag wel A. opzoeken. Utrecht is een halfuurtje verder dan Vianen, doch op de fiets is dit niet zoo slim. Goed dat ik niet met inkt schrijf want de tafel staat niet heel stil, en zal ’t daarom hier ook maar bij laten. Nogmaals een gezellige feestdag gewenscht. De groeten aan de familie en vrienden. Theunis.


Everdingen, 27.9.15

 Waarde Ouders,

 Ik heb maar gewacht met ’n berichtje tot hier in E. Na een goeie reis zijn we in Schalkwijk aangeweest om nog wat dommel. Toen zijn Bonnema en ik nog per fiets naar E. gegaan waar wij om ongeveer 2 uur zijn aan gekomen. We hebben maar in de barak geslapen en nu van morgen ons nieuw kwartier ingericht, dit lijkt mij beter dan te I. Over ’n paar dagen zal ik nog iets schrijven. Ook werd er van morgen al gesproken van groot verlof. Groetent, Th. J. Boersma.

 

Everdingen, 18-11-1915

Waarde Ouders!

Wij zijn alweer mooi op weg naar de Waterlinie, en prachtig weer zoo dat de laatste reis niet tot de slechtste behoort. Ik weet niet of ik ’t dopje van de fietslantaarn thuis heb laten liggen. Te Ferwerd was ik ’t kwijt. Ge kunt er even om denken. ’t Is hier nog al een beetje winterig. Groetent, Th. J. Boersma.