Sipke Huismans

SHuismans

Sipke Huismans (1873-1924). Bron: Tresoar

In 1914 ging de dominee Sipke Huismans uit Anjum langs bij de Friese soldaten, o.a. in Vianen. Hij deed daarvan verslag in het Friesch Kerkblad, 8e jaargang nr 49 (9-10-1914) tot en met 9e jaargang nr 3 (20-11-1914).

Een avond onder de Noordfriesche Landweermannen te Vianen.

Vrijdagmorgen tusschen 7 en 8 uur op reis van Tilburg naar Vianen. Te Vianen zijn de landweermannen gelegerd van Oost- en West -Dongeradeel, Ferwerderadeel, Dantumadeel, Kollumerland enz. De trein, die van Roosendaal over Breda naar Tilburg moet komen, om ons van ’s Hertogenbosch en verder te brengen is laat, zeer laat… “Vanwege de vluchtelingen, meneer.” Dat was dus wachten. Op het perron ontmoet ik het Hoofd der Chr. School in de Haske, nu korporaal van beroep, op weg naar de keuring. Ook ontmoet ik er een heele Friesche compagnie met volledige uitrusting op weg naar Breda, om eens goed gebaad en uitgestoomd te worden. ’t Is sommigen hunner aan te zien, dat zij zulke “akkefysjes” niet gewoon zijn, en dat zij het een “sneu” geval vinden. Maar een was er, ik zal niet vertellen van welke Friesche heide hij was, die verklaarde, het het hem “neatskéle” kon, ook al moest hei ze “fen ‘e mouwe offeye.” Wie die “ze” zijn, begrijpt ge wel. Anders moet ge maar denken aan dien meester op school, die ene leerling de plaatsnamen van Zuid-Beveland afvroeg. De leerling moest “Kruiningen” zeggen, maar wist het niet. Om hem op weg te helpen, wees meester op zijn kruin. “Wemeldingen” antwoordde nu de slimmerd, en dat ligt ook inderdaad op Zuid-Beveland. In den trein liepen de gesprekken over de vluchtelingen, want elk was er vol en ontroerd van, of zooals de nu minder nette, maar oudtijds ook in gewijde taal veel gebruikte term luidt “beroerd.” Een vertelde van een vrouw, die haar twaalf kinderen aan een touw gebonden had, om er geen van te verliezen, (hij had het zelf gezien) en die met haar twaalftal tegelijk nog een viertal beesten had voort te drijven, die echter niet meer voort wilden. Een ander vertelde van de honden en katten door vele vluchtelingen meegenomen: van een vrouw, die haar poesje in den arm droeg en haar kind achteraan liet bengelen; van een Belg, die wanhopig was, omdat hij zijn hond onderweg was kwijt geraaktL “dat met dien oorlog, en die Dutsen en die kanonnen mag al zoo verschrikkelijk wezen, maar wie brengt mij den hond weer terug. Ik heb mijn hond verloren.” Zoo ernstig kunnen de tijden en omstandigheden niet zijn, of het komische gaat ermee gepaard. Wij naderen Utrecht en zien draadversperringen, uitkijktorens, forten, en hier en daar een laan of een boomgaard, waarvan de bomen bij den grond afgezaagd zijn. Een reiziger spreekt van een boomgaard ter waarde van fl. 60.000, die ook die bewerking onderging. Van Utrecht –Vreeburgplein- ging het per autobus over Jutfaas naar Vreeswijk, de Vaartsche Rijn links van den weg, en ter rechterzijde hier en daar kanonnen opgesteld, en het kanonnevolk werkzaam aan de verschansingen daarvoor. Toen van Vreeswijk over de schipbrug naar Vianen, dat aan de Zuidelijken oever van de Lek ligt. In de hoofdstraat, die trouwens ook zoowat de eenige “straat” van Vianen is, dien naam waardig, uitgestapt, en een jongen, die daar gaat achter een kar gevraagd, waar Ds. Weener woont. Hij weet het niet. “Van welke Kerk moet ie zijn?” -“Van de Gereformeerde Kerk.” Van een Gereformeerde Kerk te Vianen weet hij ook niet. Maar hij weet wel van een “dollerende domini” die “woont daar gunder.” Mooi zoo, maar ’t was al niet nodig meer, want de dolerende dominee stond al achter mij, en de oude studievriend bracht mij alra in zijn pastorie, die hemzelven en zijn gezin trouwens nog maar een week of drie herbergden, omdat hij tot zoolang de herdersstaf nog hanteerde in Oudega (Wymbr.) De atmosfeer was er, om zoo te zeggen, nog Friesch, ook al stond er een mand vol voor een Fries ongehoord dikke peren in den gang. Friesch, want des pastors beide jongens, en elk weet, dat zoo’n paar jongens nog al wat beteekenen in een gezin, deden hun spelen en stoeien, hun kijven en kibbelen nog heel vurig af in het Friesch, en herinnerden zich nog als van gisteren hun Oudegaster speelmakkers “Gotze” en “Knjillis”enz. En waarlijk kwam er op dien eigensten middag bezoek uit Oudega, van een veldwachterszoon, meen ik, nu ook onder de wapenen. Ja, “Fryslân Boppe,” dat getuigenis werd dien middag ook in de pastorie gegeven, gelukkig door een niet-Fries, Ds. Steinhart van Lexmond, die eerst predikant was in de Knype, en daarna op onderscheidene andere plaatsen, en nu op de grond van de rijpe pastorale ervaring verklaarde: Fryslân Boppe. Luitenant Van Straten, welbekend in Frieslands Noorderhorne, kwam ook al spoedig opdagen. Met hem ging het nu naar onderscheidene kwartieren, om eens te zien hoe onze landweermannen het hadden.

S. Huismans

 

Naar onze Friesche soldaten te Tilburg en Oisterwijk

Vianen bestaat uit een hoofdstraat, waarin het Raadhuis, een oude Poort, en eenige heerenhuizen, en verder eenige zijstraten van zeer nederig aanzien. Op verschillende punten in dit oude stadje hadden onze landweermannen hun kwartieren, meest in kleine boerenschuren. Enkele traden wij binnen. Stroolegers, aan het voeteneind afgeschut door planken, aan het hoofdeneind ransel en de opgevouwen dekens, in het pad een tafeltje en een paar stoelen of ook wel niets –dat was het wat we kregen te zien. Maar het was netjes onderhouden. En de mannen, die we er aantroffen waren, hoe verlangend ook naar huis, in een goede stemming. Voor de afwisseling vonden ze een bezoek van een man met zwarte knoopen misschien ook wel aardig. In één schuur ontdekten wij moederziel alléén een Standaardlezer, juist een vriend, hoe ken het, dien wij zochten. En weldra hadden wij alle vrienden en kennissen in pakken. Moeilijk ging dat trouwens niet, want een had fluks den ander ons bezoek verteld. Op een vlierinkje had een achttal zich genesteld, wel wat eng. Aan den trapladder moet men eerst wat wennen. Een der gewapende mannen was al een keer wat opp een vreemde wijze naar beneden gekomen, en wel niet zijn ribben, maar toch zijn bajonet gebroken. Ik voor mij ben achterstevprem weer naar beganen grond gedaald. Op straat kreeg mijn militaire leidsman gedurig het militaire salut van kleine beugels. Dat was potsierlijk, hoe die kleuters van zes, zeven jaar soms juist met een stuk snoepgoed in den mond “aansloegen”, zooals men dat noemt. Blijkbaar neemt de straajeugd het militaire leven niet alleen met groote nieuwsgierigheid waar, maar ook met zekere gulzigheid in zich op. Het was hen ernst, die kleinen. Trouwens niet alleen te Vianen, maar overal waar soldatenvolk ligt, ziet men ze marcheeren en exerceeren met houten sabels en geweren, en hoort men ze met een vroeger ongekende nauwkeurigheid op trommels en mondharmonica’s en ook fluitende met den mond de verschillende signalen nadoen. Er zijn er, maar dat zijn de echte straatrekels, en dan ouder, van 13, 14 jaar, die zich glad een handje opwerpen tot officier van een afdeeling werkelijke soldaten, zooals men ze elk oogenblik door Tilburgs straten kan zien trekken voor allerlei cirvée’s. Eén-twee, één-twee… twee… twee… twee…, zegt zo’n aap dan, die zich vóór of ter zijde van den troep stellende en kwiek meeloopende, soms door het lachend oog van één in het gelid aangemoedigd, maar door den toornenden blik van een korporaaal ook niet afgeschrikt, en ten slotte toch weer gemakkelijk door een “diender” weggejaagd. Het is overigens een vreemde gewaarwording, allerlei mannen, die men niet anders dan in de meest onderscheiden burgerbetrekkingen gekend, en nooit dan op kerkelijk, politiek, maatschappelijk of schoolgebied ontoet heeft, nu aan te treffen in uniform, en nog vreemder voelt het een stuk Friesland daar zoo maar in een achterafplaatsje van Zuid-Holland te ontdekken. Boeren, bakkers, schilders, molenaars, orgelhandelaars, onderwijzers, van allerlei bedrijf kan men ze daar ontmoeten. Het Hoofd der Chr. School te O-Nijkerk was daar bij de administratie. Het Hoofd der Chr. School te Kollumerpomp had daar de korporaalswaardigheid. Wie in het burger nog al wat is, kan in het militair gewoon soldaat zijn, en omgekeerd. Vreemde dingen vertelt men er van. Zoo van een Hoofdonderwijzer, die als gewoon soldaat kwam te staan onder één zijner leerlingen, nu sergeant, met wien hij altijd veel te stellen had gehad, en aan wiens “dressuur,” om geen erger woord te noemen, hij zich nu op zijn beurt te onderwerpen had. Intusschen was het etenstijd geworden. De kok schafte erwtensoep met spek: “snert,” het was degelijke kost en ze werd met smaak gegeten. In het achterhuis van boer van IJperen vonden we zoo een groepje aan den maaltijd, waaronder een vijftal goede bekanden. Daar had het iets van een diner. Want boer van IJperen zorgde vrijwillig voor tafeltjes, en als ik mij niet vergis ook voor borden. En het was te merken, dat de verstandhouding met het gezin en de ingekwartierden uitnemend was. “Als de heeren nog een opname willen, moet het gauw zijn, anders wordt het donker.” Ditmaal was het geen dominee, maar een photograaf, die het landweerdiner in de eetzaal-Van IJperen kwam verstoren. Veel lust om den maaltijd te schorsen voor een kiekje bestond er niet. Maar, stelde ik vragend voor, kunnen wij niet een kiekje laten maken van Dongeradeelsters met luit. Van Straten en mijn persoon erbij? Toen liepen ze allen bij het snertketeltje weg. De groep was gauw gevormd; ook de kennissen uit andere kwartieren waren er in een wip; het tooneel was de straat. Toen weer naar het snertketeltje. Hebt ge wel eens halfgare, bittere witte boonen gehad? Nu, die hadden je daar onlangs in Vianen. De boonen waren anders goed van deugd. Maar de kookkunst brengt mede, dat witte boonen altijd eerst afgegoten moeten worden om de bittere smaak weg te krijgen, en dat ze om gaar te worden wat langer op het vuur moeten staan. En daaraan schijnt te kok zich niet gehouden te hebben, zoodat de zoete diner-verwachtingen der mannen dien middag uitliepen op een bittere ontgoocheling. Of het thuis dan altijd zoo volgens het kookboek gaat? Welneen, maar als men bij de Koningin van Nederland in de kost is, verwacht men altijd iets goeds en wil men niet teleurgesteld zijn. Ook in het leger is de quaestie van de maag een hoofdpunt. Een beste kok kan er misschien nog beter de stemming in houden, dan een knap generaal. Wijlen dr. Schaepman zei dan ook altijd, dat men om de menschen te winnen ze eerst een goede maaltijd moet geven. Enfin, wij burgers betalen er genoeg voor, laten de koks het goede waar dan ook goed opdienen. Als het niet anders kan, moet een goed soldaat veel, ja alles weten te ontberen. Maar als het niet behoeft, dan mag het ook niet. Om halfacht in den avond trokken wij op naar de Gereformeerde Kerk, voor het houden van een Friesche lezing. Een groote schare was daar bijeen. De compagnie-commandant Luit. Vrind, en de militaire arts Dr. Wieringa van Ternaard waren met mijn gastheer en gastvrouw en Luit. Van Straten ook van de partij. “ Sol ik de Fraise toal wel verstoan kennen, zegt er één tegen mij. De vrager was een goede kennis. Toen ik ergens in Friesland eens preekte was hij mijn gastheer geweest. Zijn vraag was slechts een grap, want hij zit al jaren midden onder de Friezen. Vriendenhanden hadden rap de Friesche psalmen en zangen verdeeld. De heer Ganzevoort, orgelhandelaar te Leeuwarden, nu ook ridder van de gladde knoop, bespeelde het kerkorgel. En nu ging het weer een Friesch lied en nog een uit de volle borst. In twee pauzen konden wij ook nog eens ophalen, want haast was er niet, zooals te Tilburg waar 9 uur alles gesloten moet zijn. Er zullen er misschien bij geweest zijn, die voor ’t eerst van hun leven Friesche psalmen gezongen hebben, maar mij dunkt, zij zullen erkennen; niet alleen dat zij schoon van taal waren, maar ook dat zij innig en eigen waren om te zingen. Het was een avond om niet te vergeten, al zou het alleen maar zij om het bijzondere van zulk een groote Friesche vergadering in een typisch Oud-Hollandsch stadje. Veel is er in de loop der eeuwen binnen Vianen’s wallen afgespeeld, maar zoo iets waarschijnlijk nog nooit. Doch de oorlog werpt nu eenmaal alles doorelkaar. Na afloop tusschen 10 en 11 uur bracht de dokter ons nog in een militaire keuken. De kok was bezig met de soep voor den volgenden morgen, die in twee groote ketels heerlijk geurend stond te koken. Straks het vuur er onder weg, zei hij, dan is ze morgen nog warm genoeg. De versche kommiesbrooden lagen in gansche rijen op de planken gereed. Alles maakte een uitnemenden indruk. Toen in de pastorie nog een praatje “vóór den vaak,” daarna ons overgegeven áán den vaak, verder te gepaster ure Zaterdagmorgen opgestaan, ontbeten, wat prentbriefkaarten van Vianen gekocht, en toen (niet zonder één van die dikke Vianer peren) dankbaar afscheid genomen van de gastvrije en nog niet geheel weer ontfrieschte pastorie bewoners. De autobus bracht mij ruim 10 uur te Utrecht en de spoortrein bijna 1 uur weer te Tilburg.